Plegers en slachtoffers

Hoe kan ik een pleger van seksueel misbruik herkennen?

Allereerst dit: een pleger van seksueel misbruik heeft geen bijzondere kenmerken. Zo iemand kan jong of oud zijn. Ze komen uit alle lagen van de bevolking komen en hebben diverse culturele achtergronden. In vier van de vijf gevallen (80%) is het een bekende van het slachtoffer: broer, vader, oom, huisvriend, babysitter, leraar, hulpverlener, sportcoach, begeleider of pastor. Plegers zijn in 80 tot 90% van de gevallen jongens en mannen, ook als het om misbruik van jongens gaat. Lees meer over het herkennen van plegers.

Wie lopen meer risico om slachtoffer te worden?

Elk kind, elke jongere en iedereen met een verstandelijke beperking kan slachtoffer worden van seksueel misbruik. Sommigen van hen kan het gemakkelijker overkomen. Bijvoorbeeld kinderen en jongeren die  beschermd zijn opgevoed en die geen gevaar zien. Kinderen die verwaarloosd zijn en graag aandacht en bevestiging willen. Kinderen met problemen (thuis), die zijn weggelopen of die in de war zijn. Daarom is het voor mensen die in vrijwilligersorganisaties actief zijn belangrijk om bijvoorbeeld ook eens een praatje met ouders te maken als die hun kind komen halen of brengen. Niet vanuit wantrouwen, maar gewoon om ze iets beter te leren kennen. Communicatie en openheid helpen om misbruik te voorkomen.

Waar kun je als ouder op letten bij je kind?

Als ouder voel je meestal wel aan dat er iets niet goed zit bij je kind. Of het dan ook meteen om seksueel misbruik gaat, is natuurlijk de vraag. Als je kind bijvoorbeeld geen plezier meer heeft in de activiteiten, of steeds geen zin om erheen te gaan, kan er iets aan de hand zijn. Misschien is het gewoon een dip, maar het kan ook te maken hebben met vervelende ervaringen. Sommige kinderen vertellen zelf dat er vervelende dingen gebeuren. Andere kinderen praten er juist niet over, maar krijgen lichamelijke klachten: buikpijn, slecht slapen, ineens bang zijn voor dingen (angsten die het kind eerder niet had). Neem zulke signalen serieus! Praat met je kind en probeer uit te vinden wat er aan de hand is. Blijf niet zitten met vragen, twijfels of klachten. Als je denkt dat er iets aan de hand is, neem dan contact op met de vertrouwenspersoon van de vrijwilligersorganisatie. Die zal je serieus nemen, wat je vertelt of vraagt vertrouwelijk behandelen en je advies geven over hoe verder.

Kan ik mijn kind nog veilig naar een club laten gaan?

Ja natuurlijk. Juist omdat er steeds meer aandacht is voor seksueel ongewenst gedrag, zijn er steeds meer organisaties die alerlei maatregelen en hebben afspraken hebben. Daardoor wordt de kans dat het misgaat kleiner. En het zou jammer zijn als je kind niet meer de dingen kan doen waar hij of zij veel plezier aan beleeft. Als ouders mag je trouwens best aan de vrijwilligersorganisatie vragen wat ze op dit gebied hebben geregeld. Als er een goed antwoord komt, geeft dat een veilig gevoel. Bovendien helpt je vraag de organisatie ook om zich weer eens te realiseren dat dit voor ouders een belangrijk onderwerp is. Dit zijn bijvoorbeeld vragen die ouders geregeld stellen.

Worden clubs die niets doen tegen seksueel misbruik aangepakt?

Op dit moment worden clubs vooral gestimuleerd om aan de slag te gaan met de preventie. Vanuit de landelijke koepelorganisaties nemen we nog geen maatregelen tegen lokale clubs die niets doen. Vervolging is wel mogelijk vanuit civiel recht. Vrijwilligersorganisaties die, door hun daden of juist het nalaten ervan, schade berokkenen aan leden, vrijwilligers of deelnemers kunnen zo aangepakt worden. Dat legt een druk op organisaties om actief aan de slag te gaan met de preventie van seksueel misbruik.

Mag een vrijwilliger een minderjarige niet meer helpen of troosten?

Kinderen, jongeren en mensen met een verstandelijk beperking hebben aandacht nodig. Het zal vaak genoeg voorkomen dat een kind op schoot kruipt of dat een vrijwilliger helpt om een kind kleren aan te doen. Als dat niet meer kan, is vrijwilligerswerk onmogelijk en dat is natuurlijk niet te bedoeling. Belangrijk is dat je in jouw organisatie het gesprek blijft voeren over wat wel en niet kan. Het is verstandig om omgangsregels te maken, zodat een vrijwilliger nog steeds  een kind veilig kan troosten. Openheid zorgt ervoor dat kinderen kunnen aangeven dat ze iets niet willen en dat vrijwilligers hier alert op zijn. Verder: bespreek het onderwerp met vrijwilligers, ouders en kinderen. En als er  vermoedens zijn of een vervelend gevoel dat er alle ruimte is om het erover te hebben.